Voorbeeldproject: Studentencentrum De Bunker in Eindhoven

    Voorbeeldproject: Studentencentrum De Bunker in Eindhoven

    Binnen het cultuurhistorisch onderzoeksbureau SteenhuisMeurs kan ik onderzoeker/architectuurhistorica mijn hart ophalen aan de verscheidenheid aan projecten door het hele land. Het bureau richt zich op de inzet van cultuurhistorisch onderzoek in actuele ruimtelijke opgaven. We doen dit onder andere in de vorm van een cultuurhistorische verkenning, beeldkwaliteitsplan, transformatiekader, of stedenbouwkundige visie. Een voorbeeld van een project waar ik recent aan gewerkt heb? Dit is het transformatiekader voor het voormalige studentencentrum in Eindhoven van architect Huig Maaskant uit 1964.

    ‘Een ontmoetingsplaats van allure’. Zo beschreef architect Huig Maaskant zijn ontwerp van het studentencentrum voor de studenten van de Technische Hogeschool van Eindhoven in 1964. Inmiddels staat het gebouw bekend als ‘de Bunker’, een bijnaam die te verklaren is door zijn opvallende verschijningsvorm en betonnen afwerking. Het gebouw kwam tussen 1963 en 1969 tot stand in nauwe samenwerking met de Eindhovense studenten en de Technische Hogeschool Eindhoven. Het studentencentrum belichaamt het gemeenschapsdenken in de prille jaren van de studentenstad. En het gebouwtype is uniek in zijn soort: de typologie is een combinatie van een sociaal centrum met een mensa en twee sociëteiten voor de hele studentengemeenschap van Eindhoven. De Bunker diende ruim veertig jaar als studentencentrum. Eind 2015 schreef de Technische Universiteit Eindhoven een prijsvraag uit. Het voormalige studentencentrum zal worden gerenoveerd en uitgebreid met een woontoren naar ontwerp van Powerhouse Company. SteenhuisMeurs deed in 2018 onderzoek naar het concept en het roemruchte gebruik van het gebouw, doorzocht de archieven bij het Eindhovens Studentencorps en maakte een transformatiekader om de balans tussen het bestaande gebouw en de nieuwe toevoeging te borgen.

    Zie de website van SteenhuisMeurs voor meerdere voorbeelden van projecten waar het bureau aan heeft gewerkt.

    West-Indische buurt in montagebouw

    West-Indische buurt in montagebouw

    Maar liefst 62 gemeenten in Nederland hebben een Indische buurt. Men spreekt van een Indische buurt als er tenminste drie onderling verbonden straten zijn met namen die in hele directe zin refereren aan het (voormalige) Nederlands Oost-Indië en West-Indië (Suriname en de Antillen). Er zijn veel overeenkomsten te vinden in de wijze waarop de buurten zijn ontstaan, ontwikkeld en waarom er voor bepaalde straatnamen is gekozen. Maar er zijn ook opvallende verschillen.

    Onder leiding van initiatiefnemer Dick Rozing en historicus Michael Bremmers hebben verschillende auteurs,van onder andere van historische kringen en stads- en archiefdiensten, al deze buurten beschreven. De verhalen verschijnen in boekvorm met als titel Indische buurten in Nederland (verschijningsdatum onbekend) en op www.indischebuurten.nl. In 2016-2017 heb ik twee Indische buurten beschreven, in Velsen (Santpoort-Noord) – zie onder, en Beverwijk.

    Santpoort-Noord (Velsen), West-Indische buurt in montagebouw

    In 1946 kwamen de eerste Indische repatrianten via de haven van IJmuiden aan in Nederland. Enkelen van hen verbleven kort na aankomst in de landhuizen Duin & Kruidberg en Kennemergaarde, op de grens van de Kennemerduinen en het forensendorp Santpoort-Noord. Als antwoord op de naoorlogse woningnood verrezen enkele jaren later in het dorp nieuwe woningen. Het werd de West-Indische buurt, met straatnamen vernoemd naar eilanden en plaatsen in West-Indië. Tien jaar later, bij de uitbreiding van de buurt, werd bij de straatnamen gerefereerd naar gouverneurs-generaal, militairen en zeehelden met een reputatie ontleend aan de koloniën. Een opmerkelijke keuze net na de beëindiging van de koloniale verhoudingen. 

    De Bonairestraat. 

    Wederopbouw en uitbreiding
    Onder centrale regie van de overheid werd in de jaren veertig en vijftig het land wederopgebouwd. Het was een periode van schaarste, maar ook van optimisme en vernieuwing. Net als veel andere gemeenten had Velsen een wederopbouw- en uitbreidingsplan nodig. Voor het ontwerp vroeg de gemeente, door een merkwaardig en niet terug te draaien misverstand, zowel Willem Marinus Dudok als Willem van Tijen. Het tweetal gerenommeerde architecten moest hierdoor noodgedwongen samenwerken. Dudok werd verantwoordelijk gesteld voor het bebouwingsplan van Nieuw-IJmuiden, dat een centrumfunctie kreeg voor de gehele gemeente. Van Tijen, en later zijn assistent Willem Wissing, nam samen met Huig Maaskant de overige gemeentekernen voor zijn rekening. Velsen-Noord aan de overzijde van het Noordzeekanaal werd het belangrijkste woongebied voor werknemers van de omringende industrieën, Santpoort-Noord een forensendorp, Santpoort-Zuid en Driehuis villawijken. Het oude Velsen bleef intact, net als de buitenplaatsen en natuurgebieden.

    Forensendorp
    Het gehucht Santpoort ontstond in de Middeleeuwen in de Kennemerduinen met flink wat herbergen rondom de kruising Hoofdstraat en Huis ten Biltstraat. Reizigers maakten gebruik van de Hoofdstraat, toen nog de Heereweg geheten, op de route Haarlem-Alkmaar. In het verder agrarische gebied waren blekerijen en buitenplaatsen aangelegd. Eind negentiende eeuw kwam de bloembollenteelt op in de regio. De aanleg van de spoorlijn Haarlem-Alkmaar, de bouw van een treinstation (nu Santpoort-Zuid) en de komst van de stoomtrein betekende dat vermogende forensen uit Amsterdam en Haarlem zich hier vestigden. Santpoort ontwikkelde zich hierdoor tot forensendorp. Naast villabouw ontstonden in de jaren 20 en 30 woonwijken ten westen van de Hagelingerweg. Het driehoekige gebied aan de oostzijde van deze weg, tussen de Hoofdweg en de nieuw aangelegde rondweg de Santpoortse Dreef in, werd in de naoorlogse jaren bebouwd. In ruim tien jaar tijd verrees hier op voormalig tuinbouwgrond de West-Indische buurt. 

    Ontstaan van de Indische buurt
    In het najaar van 1950 verscheen in de IJmuider Courant de korte aankondiging Nieuwe namen in Santpoort: ‘De nieuwe straten, die zijn aangelegd tussen de Hagelingerweg en de Hoofdstraat in Santpoort, ten Noorden van de Overbildtweg zullen genoemd worden naar eilanden en plaatsen in “De West”. Het worden de Antillenstraat, Surinamestraat, Arubastraat, Bonairestraat, Curaçaostraat, Sabastraat, St. Eustatiusstraat, St. Martinstraat en Paramaribostraat.’[1] Een jaar eerder was gestart met de aanleg van de straten. De woningen werden gebouwd volgens de niet-traditionele bouwmethode Elementenbouw Krabo. Door het gebruik van prefab bouwelementen was de inzet van arbeid op de bouwplaats minimaal, en daarmee het bouwproces goedkoper. De plaatselijke krant plaatste een foto van een bouwplaats waar West-Indië in montagebouw verrees: ‘Een grote kraan stelt de onderdelen van een complex van 142 woningen, waaronder 76 duplex-woningen, dat de woningnood in Velsen en speciaal Santpoort kan helpen verlichten. De straten krijgen namen uit de West-Indische Archipel.’[2]

    Basisplan voor de wederopbouw van Santpoort-Noord van de architecten W.M. Dudok, W. van Tijen en H.A. Maaskant, 1946. Met rechtsboven zichtbaar de West-Indische buurt. Beeld: Noord-Hollands Archief.

    Luchtopname van Santpoort, met noordelijk van de Overbildtweg de nieuwbouw dwars op de Surinamestraat en links de Hagelingerweg, 1952. Beeld: Noord-Hollands Archief (c)  N.L.R. Mij. Meteor.

    Controverse
    De gemeenteraad stemde echter niet eensgezind in met het voorstel van het college van Burgemeester en Wethouders om de nieuwe buurt West-Indische straatnamen te geven. Een gemeenteraadslid meende dat er met betrekking tot de historie aardiger, en meer passende namen te vinden zouden zijn geweest dan vernoemingen naar de West-Indische archipel. Zijn voorkeur ging uit naar namen van voormalige buitens in dit landelijke deel van Santpoort, als het Velserhooft, Thorn, Rosensteijn, Middello, Valkenburg en Hageveld. Deze historische verwijzing sloot wat hem betreft goed aan op de bestaande Duin- en Kruidbergerweg. Voor de suggestie werd vriendelijk bedankt, maar voor deze buurt niet geschikt geacht. Door de wat afgesloten ligging dienden de straten allen dezelfde soort naam te dragen, zodat ‘vreemdelingen’ gemakkelijk de weg zullen vinden. De historicus had geen negen namen van buitens kunnen vinden. Overigens werd nog opgemerkt ‘dat er wel moeilijk uit te spreken namen bij voorkomen. Bonairestraat zal nog wel gaan, maar St. Eustatiusstraat is voor de kindermond wel heel moeilijk. Had men geen gemakkelijker uit te spreken namen kunnen kiezen, als bijvoorbeeld Archipelstraat?’ De reactie luidde als volgt: ‘Het eiland draagt nu eenmaal die naam en die kunnen wij niet veranderen. Men zal daaraan wel wennen.’[3]

    De Bonairestraat.

    Duplexwoningen
    Anders dan de eerdere villawijken in Santpoort gaat het in het eerste deel van de West-Indische buurt om rijtjeshuizen met sociale huurwoningen, waardoor ook mensen met een kleine portemonnee in het dorp konden wonen. Op het eerste ogenblik lijken de rijtjeshuizen op eengezinswoningen, maar schijn bedriegt. De helft van de bouwproductie, namelijk aan de Curaçao-, Paramaribo- en een gedeelte van de Bonairestraat, bestond uit duplexwoningen. Deze woningen werden gesplitst, waardoor zowel boven als beneden een gezin kon wonen met ieder een eigen entree. Het was een veel toegepast middel na de oorlog om zo sneller de woningnood op te lossen. Waarschijnlijk zijn de splitsingen van deze woningen inmiddels opgeheven. De overige woningen zijn van het ‘doorzon-type’, met zowel voor als achter ramen waardoor de zon door de hele woonkamer kon schijnen. Veelal werd in de woonkamer een glazen wand geplaatst om een extra slaapkamer aan de achterzijde te creëren.

    Architect Peter van der Wart ontwierp de woningen in opdracht van de gemeente. Het ontwerp was ‘sober en doelmatig’. Achter de gemetselde gevels van bakstenen, met vurenhouten kozijnen en ramen, gaat overigens de moderne elementenbouw schuil. De woningen en voortuinen liggen evenwijdig aan de straten, met veelal de achtertuinen tegen elkaar aan. De bewoners kregen in de achtertuinen gemetselde schuurtjes die bereikbaar zijn via het achterpad. De koppen van de woningen zijn met elkaar verbonden met een tuinmuur, wat het idee van een gesloten blok benadrukt. Modern in die tijd was ook de functionele woningenindeling en voorzieningen als de douche, een luxe die dergelijke woningen van voor de oorlog niet hadden.[4]

    Links de Bonairestraat, midden de Surinamestraat en rechts de toegang tot het achterpad.

    Groen en rust
    Bij de aanleg van de buurt begin jaren vijftig was veel aandacht voor groen, passend bij de tuinstadgedachte van de architecten om Velsen een groene gemeente te maken. Het ging niet alleen om gras, maar ook een rijkdom aan bloeiende struiken. In de krant werd aangekondigd hoe de buurt een ‘fleurige krans van Flora’ zou krijgen: ‘Velerlei soorten heesters, rozen en bomen komen de wijk opfleuren. De gemeenschappelijke voortuinen worden met gras en rozenhaagjes ingeplant, zoals aan de Sabastraat; de Arubastraat krijgt een sierlijke kraag van louter rozen en in de Curaçaostraat worden “blokken” heesters gebruikt, die evenals in de Bonairestraat met vaste planten worden afgewisseld.”[5] In de jaren hierna zou tevens aan de Paramaribostraat een driehoekig plantsoen worden aangelegd, met onder meer een sportveld.

    De buurt oogt nog steeds groen en rustig, zoals de meeste forensendorpen. Van het rijtje winkels aan de St. Martinstraat is nog enkel de winkel op nummer 10 over, in een karakteristiek winkelpand. Door de concurrentie van de supermarkten is de levensmiddelenzaak eind jaren zestig getransformeerd tot treinen-speciaalzaak ’t Seinhuis, waarvoor mensen van heinde en verre naar de West-Indische buurt komen. Verderop aan de Curaçaostraat en St. Eustatiusstraat bieden enkele bedrijfspanden uit de jaren vijftig ruimte aan kleinschalige bedrijven.

    Het plantsoen aan de Paramaribostraat.

    Luchtopname van Santpoort-Noord, met links de Santpoortse Dreef en rechtsboven de uitbreiding van de West-Indische Buurt, 1964. Beeld: Noord-Hollands Archief.

    Uitbreiding van de buurt
    Eind jaren vijftig volgde een flinke uitbreiding van de buurt ten noorden van de Antillenstraat. Het college van Burgemeester en Wethouders in 1956: ‘In verband met de bebouwing van het noord-oostelijke gedeelte van Santpoort is het noodzakelijk, dat aan een vijftal ten noorden van de zgn. West-Indische buurt geprojecteerde straten namen worden gegeven. Wij menen dat het de aanbeveling verdient ook voor deze straten namen vast te stellen, welke verband houden met de Antillen en Suriname.’[6] Het werden de Corantijn- en Marowijnestraat, waaraan enige tijd later nog de Nickeriestraat werd toegevoegd. Alle drie de straatnamen verwijzen naar rivieren in West-Indië. Afwijkend van al deze aardrijkskundige namen was de keus voor nieuwe straatnamen die refereren naar gouverneurs-generaal, militairen en zeehelden die hun reputatie ontlenen aan de koloniën: de Johan Maurits van Nassaulaan en de Stuyvesant- en Crijnssenstraat. Het is niet bekend waarom de keuze, net na de beëindiging van de koloniale verhoudingen, op deze namen viel. Wel is bekend dat in Velsen, op de hoek van de huidige Bloemdaalsestraatweg en de Jan Gijzenvaart, in de zeventiende eeuw een hofstede lag met de naam Stuijvesant. De naam ‘Laan van Stuijvesant’ komt voor op oude kaarten.[7]

    Het verschil tussen het eerste deel van de West-Indische buurt en de uitbreiding tien jaar later is zichtbaar in de keus van het type woningen. Waar eerst nog werd gekozen voor sobere rijtjeshuizen voorzag de noordelijke uitbreiding in meer luxe twee-onder-een-kappers en etagewoningen in vriendelijke flatjes van driehoog. Boven de entree van de flats aan de Antillenstraat pronken de namen Corantijnflat, Marowijneflat en Stuyvesantflat. Net als bij het eerdere deel van de buurt is ruim voorzien in voortuinen, die met gemetselde muurtjes worden afgescheiden van de straat.

    De Corantijnflat, op de hoek van de Corantijnstraat en Curacaostraat. 

    Links eengezinswoningen in de Antillenstraat en de Marowijnestraat, met als afscheiding van de tuin gemetselde muurtjes. Rechts straatnamen, op de hoek van de Antillenstraat en Corantijnstraat. 

    Repatrianten in Velsen
    Hoewel Velsen op het eerste gezicht geen evidente connectie met West-Indië heeft die de straatnaamgeving zou kunnen verklaren, is Velsen door de opvang van repatrianten uit Nederlands-Indië verbonden met de voormalige koloniën. Een paar jaar voordat de bouw van de West-Indische buurt startte kwamen de eerste Indische repatrianten via de haven van IJmuiden aan in Nederland. Na de oorlog verliep in het land de opvang van de repatrianten stroef. Er heerste woningnood, die door de instroom van de evacués alleen maar groeide. Door bemiddeling van de overheid werden zij ondergebracht bij particulieren of zogenaamde contractpensions. Hotels en pensions, die door het wegvallen van toerisme leeg stonden, boden hiervoor uitkomst. In Santpoort verbleven verschillende mensen zonder familie of andere relaties op de buitenplaatsen Duin & Kruidberg en Kennemergaarde. De landhuizen waren in bezit van families die in Indië tevens tabaksplantages bezaten en in de oorlog waren uitgeweken naar de Verenigde Staten. De families stelden de landhuizen ter beschikking aan het Nederlandse Rode Kruis voor de opvang van repatrianten, die hier op kracht konden komen of als gezin een (tijdelijk) huishouden te starten.[8]


    Dit artikel is geschreven door Victorien Koningsberger binnen het project Indische buurten Nederland. De foto’s, tenzij anders vermeld, zijn ook van Victorien.
    Dank aan de Historische Kring Velsen. 

    Bronnen:

    [1] ‘Nieuwe namen in Santpoort’, IJmuider Courant, 6 oktober 1950.
    [2] ‘West-Indië in montagebouw’, IJmuider Courant, 16 januari 1951.
    [3] Noord-Hollands Archief, dossier 1844 Gemeentebestuur van Velsen, toegangsnummer C236 Gemeenteverslagen 1950.
    [4] ‘Wederopbouw in Santpoort 1945-1965’, De Zandpoort nr. 28 (Najaar 2015).
    [5] ‘Rivierenwijk en Westindische buurt krijgen een fleurige krans van Flora’, IJmuider Courant, 27 november 1951.
    [6] Noord-Hollands Archief, dossier 1844 Gemeentebestuur van Velsen, toegangsnummer C239 Gemeenteverslagen 1956.
    [7] Marco Mekenkamp (Historische Kring Velsen), ‘Bewindsman of hofstede?’, IJmuider Courant, 16 augustus 2007.
    [8] ‘Repatriant in Nederland’, De Zandpoort nr. 26 (Najaar 2013).

    Van Amsterdam naar Rotterdam

    Van Amsterdam naar Rotterdam

    Tot voor kort was Gebouw De Bazel (links), waar de Amsterdamse dienst Monumenten en Archeologie huist, mijn werkplek. Sinds september echter is het Groothandelsgebouw in Rotterdam (rechts) mijn standplaats. Hier werk ik als onderzoeker bij cultuurhistorisch onderzoeksbureau SteenhuisMeurs.

    Een kleine twee jaar heb ik met veel plezier voor de Amsterdamse gemeentedienst Monumenten en Archeologie gewerkt. Ik ondersteunde het team gebiedsadviseurs, door het onderzoeken en beschrijven van gebouwen en gebieden uit de periode van 1850-heden. Van de Baarsjes tot Borneo-Sporenburg, van bakstenen pakhuizen tot punaisearchitectuur. Kriskras door de hele stad. Het resulteerde in cultuurhistorische verkenningen, opgebouwd uit een historische gebiedsanalyse en aanbevelingen, die als uitgangspunt dienen voor gebiedsontwikkeling.

    Nu werk ik als onderzoeker bij SteenhuisMeurs. Mijn standplaats is Rotterdam, maar we werken landelijk. Het bureau richt zich op het inzetten van cultuurhistorisch onderzoek in actuele ruimtelijke opgaven. We doen dit onder andere in de vorm van een cultuurhistorische verkenning, beeldkwaliteitsplan, transformatiekader, of stedenbouwkundige visie. Binnen het bureau kan ik mijn hart ophalen aan de verscheidenheid aan projecten door het hele land.

    Winkels die de omreis waard zijn

    Winkels die de omreis waard zijn

    Het is inmiddels wereldwijd bekend dat je in de 9 straatjes veel leuke winkels kunt vinden. Maar als je op zoek bent naar bijzondere speciaalzaken, heeft Amsterdam zoveel meer te bieden. Dat is het voordeel van een stad waar zowel het aantal inwoners als het aantal bezoekers snel groeit. Wil je eens verder kijken dan de Leidsestraat en de PC Hooft?

    Op een regenachtige zaterdag tijdens de Week van de Stad 2015 met het thema Amsterdam druk? Dat biedt kansen! organiseerde ik een excursie naar exclusieve en bijzondere speciaalzaken. Winkels buiten de gebaande paden die de omreis waard zijn.

    Van de Bijlmer tot Osdorp
    Per bus maakte een groep nieuwsgierige mensen een ronde langs speciaalzaken op het gebied van Food & Fashion. Van de beste buurtsuper en dé Amsterdamse zuurwarenhandel, tot de winkel met de meest kleurrijke Afrikaanse stoffen en een boetiek vol Marokkaanse haute couture. Van de Bijlmer, Oud-Zuid tot Osdorp en Bos en Lommer. We maakten kennis met de ondernemers die de smaak van de stad bepalen.

    De Week van de Stad is een initiatief van Stad-Forum.
    Zie op papier welke winkels een omreis waard zijn: Food & Fashion busexcursie. En lees hier het artikel in het Noordhollands Dagblad: Omfietswinkels.

    Licht, lucht en ruimte aan de Sloterplas

    Licht, lucht en ruimte aan de Sloterplas

    He was an old man who fished alone in a skiff in the Gulf Stream and he had gone eighty-four days now without taking a fish. In the first forty days a boy had been with him…

    Uniek blauw-bruin gebouw in Tilburg

    Uniek blauw-bruin gebouw in Tilburg

    Op verzoek van erfgoedvereniging Bond Heemschut deed ik onderzoek naar het ‘Blauwe gebouw’ in Tilburg. Het voormalige kantoorgebouw voor de Sociale Dienst aan de Besterdring is van waarde. Vanwege de bijzondere architectuur en de plek van het gebouw binnen de (geschiedenis van de) stad Tilburg.

    Het ontwerp uit het midden van de jaren zeventig van de Tilburgse architect Jac. van Oers heeft geresulteerd in een iconisch gebouw. Het uiterlijk wordt gekenmerkt door de achthoekige opzet van het langgerekte laagbouwvolume, dat is opgebouwd uit prefab gevelelementen met in het beton gegoten kobaltblauwe glas‐mozaïek‐tegels, en hoogbouw bekleed met Cor-Ten‐staal en bijpassende roestkleurige raampartijen. Het langgerekte kobaltblauwe volume met de coupé-ramen wekt de indruk van een trein. Het is een symbolische verwijzing naar het karakter van het gebied als voormalige Werkspoor-terrein van de NS, en de spoorzone. Het voormalige kantoorgebouw voor de Sociale Dienst vertegenwoordigt een roerige periode in de geschiedenis van Tilburg, dat in de jaren zeventig te kampen had met afnemende werkgelegenheid in de textielnijverheid. Vele Tilburgers hebben hier heel wat voetstappen liggen door de functie van het gebouw als uitkeringsinstantie.

    Download de waardestelling op Heemschut.nl.

    Het uiterlijk wordt gekenmerkt door de achthoekige opzet van het langgerekte laagbouwvolume, dat is opgebouwd uit prefab gevelelementen met in het beton gegoten kobaltblauwe glas‐mozaïek‐tegels, en hoogbouw bekleed met Cor-Ten‐staal en bijpassende roestkleurige raampartijen.
    Victorien Koningsberger

    Archieffoto’s: Archief Van Oers en Regionaal Archief Tilburg.
    Foto links: Heemschut vrijwilliger Miriam van den Dries (rechts) en ik in de hal van het ‘blauwe gebouw’.

    Bermtoerisme Museum

    Bermtoerisme Museum

    Tijdens de Week van de Stad in november 2014, dat geheel in het thema stond van de Amsterdamse Ringweg A10, was het Bermtoerisme Museum geopend. En ik was voor even de ‘directeur’. Bermtoerisme? Voor wie het fenomeen niet kent hier een terugblik.

    20141108_006
    20141108_004

    Tijdens de wederopbouwperiode na de Tweede Wereldoorlog kunnen steeds meer Nederlanders zich een auto veroorloven. Ook het Nederlandse snelwegennet wordt uitgebreid. De toename van het autoverkeer zorgt in 1955, op Eerste Pinksterdag, voor de eerste file in Nederland. Deze file auto’s bij knooppunt Oudenrijn bij Utrecht trekt veel bekijks van mensen uit de omliggende dorpen die de imposante rij stilstaande auto’s komen bewonderen.

    Gezellig
    Recreatie is een belangrijk motief voor de aanschaf van een auto, bijvoorbeeld een Simca of Fiat 500. Vanwege de groeiende hoeveelheid aandacht voor de auto en de autosnelwegen ontstaat medio jaren ‘50 niet alleen ‘de file’, ook ‘bermtoerisme’ is een nieuw begrip. Bij dit fenomeen, dat alle kranten haalt, vermaakt men zich in de berm op enkele meters van de autoweg met het bekijken naar langsrijdende auto’s. Ook nummerborden ‘verzamelen’, door ze op te schrijven in een schriftje, is een populair tijdverdrijf. En picknicken, wat lezen of badmintonnen. Als men op zondag een dag gaat toeren met de pas aangeschafte auto fungeert de berm als uitrustplek, bij gebrek aan wegrestaurant. Zodra er een mooie berm in zicht komt, stapt men uit, zonder te zoeken naar een rustiger plekje. De stoelen en tafels worden uit geklapt, de meegebrachte kookplaat wordt klaar gemaakt voor gebruik en zo kan men zich installeren naast het voorbij razende autoverkeer. Een Amsterdammer legt in die tijd uit waarom niet voor de natuur wordt gekozen: “Je wilt wat zien, mensen om je heen, het is gezelliger zo; verkeer is altijd gezellig en de berm is zo makkelijk te bereiken: je hoeft niet zover te sjouwen.” Er is zelfs sprake van recreatiezoekenden die maar liefst de hele (zon)dag in de berm blijven zitten. Op de verhalenwebsite Geheugen van West verteltIngrid Woutersen over haar jeugd in de jaren ’60 op de Rijpgracht (Bos & Lommer): “Ook wij hadden een auto, een fiat 500. Ons gezin ging dan een dagje bermtoerisme doen. Wij zaten dan gezellig langs de weg ons te verbazen over het drukke verkeer.”

    Vrouwen in de berm van een autoweg; 1959. Foto © Jutka Rona/MAI.

    Verbod
    De ANWB keurt het bermtoerisme af als “fantasieloze, passieve recreatie”. Ook Veilig Verkeer heeft hun bedenkingen tegen het bermtoerisme. Naarmate het autoverkeer en de snelheid toeneemt stijgt het aantal verkeersslachtoffers, prinses Wilhelmina roept in 1955 in haar nieuwjaarstoespraak haar volk op, het ‘wilde’ rijden te staken. In 1957 waarschuwt de ANWB de Verkeer en Waterstaat voor het gevaar, en pleit voor parkeerplaatsen met picknickplaats.Met ingang van 1965 wordt het parkeren in de berm naast rijkswegen verboden. Daarmee komt er een abrupt einde aan deze typisch Nederlandse vorm van recreatie.

    Massatoerisme
    In de jaren ’60 neemt het autobezit en massatoerisme een steeds grotere vlucht. Met dank aan de groeiende welvaart, vrije tijd en de emancipatiegolf. Voor de Nederlander komen vakantiebestemmingen binnen handbereik. Niet meer enkel de berm langs de weg, maar de Efteling of de camping wordt de eindbestemming.

    Week van de Stad is een initiatief van Stad-Forum. Dit artikel verscheen 7 september 2014 op www.stad-forum.nl.

    Rondgang langs het jonge erfgoed van Almere

    Rondgang langs het jonge erfgoed van Almere

    Almere, met zijn jonge erfgoed, bestaat 40 jaar. Een uitgelezen kans om kennis te maken met deze stad. 

    Wat er allemaal te zien is? Almere Haven bijvoorbeeld. Het ontwerp van dit oudste deel van de stad was geïnspireerd op Zuiderzeestadjes, met een haven aan het IJsselmeer (eens de Zuiderzee), grachten(huizen) en een marktplein. Op de Markt is het pas gerenoveerde multifunctionele gebouw Corrosia (bouw 1979) de blikvanger door de gewaagde toepassing van roestkleurig Cor-Ten-staal. Aan de overzijde vind je het gebouw De Roef (bouw 1975-1976), in de begintijd hét ontmoetingscentrum. Inmiddels staat het pand leeg en de eveneens met Cor-Ten-staal beklede gevel is ingepakt met slordig crème geschilderde platen. Het maakt De Roef tot een gevalletje vergane glorie, maar wie weet wat voor opleving het gebouw nog gegund is.

    Allemaal plekken die afgelopen september tijdens de verrassende Open Monumentendag, de eerste in Almere, te zien waren. Niet voor niets dat het achtuurjournaal aandacht aan deze primeur besteedde. Aan het woord Lisette Breedveld, beleidsadviseur Publieksbereik Cultureel Erfgoed, hier terug te zien. Ook hield Lidwine Spoormans, architect en initiatiefnemer van het platform ‘Love 80’s architecture’, deze zomer een verhelderende lezing in het Erfgoedcafé over de veelzijdige architectuur uit de jaren tachtig. Kleur, tegeltjes, cirkels, schuin, plaatmaterialen. Je gaat erna anders kijken naar de omgeving.

    Almere heeft een traditie van zelfbouw. Al in de jaren zeventig werd in Haven, aan de kerkgracht, zelfbouw toegestaan. Het mooiste ontwerp vind je op nummer 36, van Joop van Stigt (bouw 1978-80), en momenteel te koop. In de jaren tachtig volgde de experimentele zelfbouwbuurten De Fantasie en De Realiteit. En nog altijd is de stad podium voor zelfbouwprojecten, zoals Oosterwold en Bouwexpo Tiny Housing. Het is een interessante rondgang langs deze projecten, een reis in de tijd van de zelfbouw.

    Almere is bij uitstek een stad op de toekomst gericht, maar Stichting Polderblik wil na veertig jaar ruimte creëren voor reflectie en organiseert momenteel interessante gesprekken over het erfgoed van de stad. We zullen de komende jaren ongetwijfeld nog veel meer horen van deze stad.

    Waar is de jonge urbane professional in de wijk?

    Waar is de jonge urbane professional in de wijk?

    Voor het jongeren netwerk YURPS (Young Urban and Regional Professionals) schreef ik november 2015 een blog over het ontbreken van jonge urbane professionals in de (naoorlogse) wijk.

    “Kijk naar wat je al hebt, leg daar een vergrootglas op en blijf dat veertig jaar doen”, adviseerde Allard Jolles laatst tijdens de Inspiratiedag van YURPS in Heerlen. Amsterdam behoeft dit advies niet, zou je zeggen. Op wellicht wat rafelranden na wordt vrijwel elk stukje hoofdstad nauwkeurig in de gaten gehouden. Al decennia lang. Neem de Westelijke Tuinsteden. Weinig wijken zijn zó veel beschreven. Van het ontstaan (ontsproten uit de koker van de wereldberoemde stedenbouwkundige Cornelis van Eesteren eind jaren ‘20) en de omvangrijke stedelijke vernieuwing vanaf eind jaren ’90 tot de recente ontwikkelingen met de creatieven op zoek naar fysieke en mentale ruimte en yuppen die “de sprong over de ring maken”.

    Een rits geïnteresseerden

    De wijken zijn bezongen en beschimpt. Ze zijn beschreven in lokale, landelijke en van de week nog internationale media. Er zijn stukken verschenen op papier en op blogs. Lezingen gehouden. Documentaires, schilderijen en theatervoorstellingen gemaakt. Journalisten, (architectuur)historici, (landschaps)architecten, stedenbouwkundigen, volkshuisvesters, kunstenaars, welzijnswerkers, planologen, romanschrijvers, sociaal-geografen, stadssociologen, politici, economen, cartografen, biologen. Allen hebben ze naar de wijken gekeken, en doen dat nog altijd met veel interesse.

    Waar zijn de jongeren?

    Maar, nu komt het, onder hen zijn opvallend weinig jongeren te bespeuren. Af en toe een architectuurstudent aangemoedigd door een docent, maar dat is dan van korte duur. Waarom is het, dat ik met mijn 29 jaar vaak de jongste ben? Als het gaat om stedelijke ontwikkeling biedt het gebied voor ieder wat wils. Ook voor ‘spannende’ onderwerpen zoals de aanzwellende gentrificatie ben je hier aan het juiste adres. En de springlevende wijken zijn in beweging, je raakt er dus niet snel uitgekeken. Dus, jonge urbane professionals, spring eens uit de pas. Ontdek nieuws in de wederopbouwwijken van Amsterdam, of in een van die andere varianten in de rest van het land. Nederland kent veel interessante wederopbouwgebieden.

    Eerste stap

    Aan de Burgemeester de Vlugtlaan vierde begin oktober Broedplaats De Vlugt haar 5-jarig jubileumsfeest, evenals het Van Eesterenmuseum. En ik vierde het feestje mee, niet alleen omdat ik het museum heb helpen opbouwen en het pand mijn tweede huis is. Ook is het vijf jaar geleden dat ik mijn eerste stap zette in de wijk, om er niet meer weg te gaan. Het is hier veel te leuk. En als ik weg ga zal de jeugd het overnemen, ongetwijfeld.

    Aandacht voor Mien Ruys

    Aandacht voor Mien Ruys

    Mien Ruys (1904-1999) geldt als een van de meest vooraanstaande Nederlandse tuin- en landschapsarchitecten die in de 20ste eeuw in brede kring bekendheid genoot. Het verklaart de aandacht die ze momenteel krijgt. 

    Tuinhistoricus en publicist Leo den Dulk tekende haar bijzondere levensverhaal op. Het resulteerde dit jaar in het boek ‘Zoeken naar de heldere lijn over het werk en leven van Mien Ruys’. De publicatie was voor het Van Eesteren Museum een goede aanleiding voor een gesprek met de auteur. Mien Ruys is onder meer van grote invloed geweest op het groenontwerp van de Amsterdamse tuinsteden. Zelfs van buiten Amsterdam kwamen geïnteresseerden op zondag 12 maart 2017 naar tuinstad Slotermeer voor het 57e Van Eesterengesprek. Met een volledig volgeboekte museumzaal zou je kunnen stellen dat Mien nog altijd ‘leeft’. Ik deed verslag van het gesprek, hier te lezen.