Na cultuurhistorisch onderzoek, het vervolg

    Na cultuurhistorisch onderzoek, het vervolg

    Na cultuurhistorisch onderzoek, het vervolg
    Op het moment dat je de vraag krijgt cultuurhistorisch onderzoek te doen naar een gebouw of een gebied, dat op het punt staat herontwikkeld te worden, dan duik je er helemaal in. De ontstaansgeschiedenis van die plek, de grotere context van tijd en plaats, de bestaande situatie, de kwaliteiten, de knelpunten, wat er mogelijk is, en wat niet. Na het gedane werk is het aan andere partijen om je onderzoeksresultaten, en het geleverde advies, mee te nemen in de herontwikkeling. Een gemeente, een architect, een woningbouwvereniging, een projectontwikkelaar. Het is interessant om op een gegeven moment het vervolg mee te krijgen. Dit is helaas niet altijd het geval, maar wel bij Bloemwijk in Alkmaar. Ten behoeve van de mogelijke, ingrijpende vernieuwingsplannen deed ik bij SteenhuisMeurs eind 2018, begin 2019 in opdracht van woningcorporatie Van Alckmaer voor Wonen onderzoek naar de totstandkoming van Bloemwijk. Ook stelden we een beeldkwaliteitsplan op voor de beoogde nieuwbouw. Bewoners en erfgoedverenigingen zagen de wijk liever behouden. Anderhalf jaar later is er duidelijkheid.

    Een wijk voor de ‘arbeidende’ Alkmaarders
    Nog even terug naar het onderzoek, dat hier te downloaden is. Bloemwijk was bedoeld voor ‘arbeidende’ Alkmaarders wiens (krot) woningen onbewoonbaar verklaard waren. Dankzij de Woningwet van 1901 kreeg het stadsbestuur meer grip op de kwaliteit en groei van arbeiders- en middenstandswijken. Bloemwijk komt voort uit het algemeen uitbreidingsplan dat het stadsbestuur in 1909 liet opstellen. Waar lange tijd ontspanningsgebied voor de stedelingen was, waren nu buitenwijken gedacht. Door het brengen van veel groen in het straatbeeld zou ‘Nieuw Alkmaar’, zoals de wijken in het uitbreidingsplan werden genoemd, een landelijk karakter krijgen, en daarmee aantrekkelijk worden om er te wonen. Als uitvloeisel van de Woningwet zag in 1907 de Vereniging voor Volkshuisvesting ‘Alkmaar’ (het huidige Van Alckmaer voor Wonen) als eerste Alkmaarse woningbouwvereniging het licht. Met subsidie van het Rijk kwamen vanaf 1916 ten westen van de Westerweg de twee wooncomplexen tot stand, naar ontwerp van J. Stuyt en meewerkend architect M.J.E. Lippits. Al zorgde de Eerste Wereldoorlog voor bezuinigingen, waardoor het ontbrak aan voortuinen en plantsoenen – gebruikelijk in dergelijke ‘tuindorpen’, kregen de bewoners ruime achtertuinen die te bereiken waren via de voor Bloemwijk zo kenmerkende ronde poorten. Helaas moesten we constateren dat in het totale spectrum van de landelijke ontwikkeling van tuindorpen, Bloemwijk niet tot de top behoort, maar tot de categorie tuindorpen waarbij de ambachtelijke architectuur het gebrek aan groen moest compenseren en het straatbeeld relatief stads aandoet. Ook is de openbare ruimte, dat na oplevering al een versteend karakter had, in loop der tijd (verder) verschraald. Ook de gevels van een groot aantal bouwblokken zijn vanwege een ingrijpende renovatie in de jaren tachtig ingrijpend veranderd.

    Geen beschermd stadsgezicht
    Er gingen stemmen op om van Bloemwijk een beschermd stadsgezicht te maken. Erfgoedverenigingen droegen als belangrijk argument aan dat het een vroeg voorbeeld is van sociale woningbouw in Alkmaar. De stad kent weinig dergelijke uitbreidingen met een tuindorpachtig karakter. Daarmee heeft de wijk voor Alkmaar zeldzaamheidswaarde. Echter zag de gemeentelijke vakgroep Erfgoed onvoldoende cultuurhistorische waarde om die status aannemelijk te maken, schrijft ze op erfgoedalkmaar.nl, en de welstands- en monumentencommissie volgde dat standpunt. De commissie, tegen Noord-Hollands Dagblad: “Bloemwijk heeft weliswaar cultuurhistorische betekenis voor Alkmaar, maar die weegt niet op tegen de beperkte ontwerpkwaliteiten als tuindorp”.

    ‘cultuurhistorisch waardige nieuwbouw’
    Wel wordt in de nieuwe opzet van de wijk rekening gehouden met de cultuurhistorie. Het college van Burgemeesters en Wethouders acht het van belang er vanuit erfgoedperspectief wordt gehandeld, “waarbij de kans om meer recht te doen aan het tuindorp-principe met beide handen wordt aangegrepen”. Op basis van het onderzoek en het cultuurhistorisch beeldkwaliteitsplan zijn in overleg met stedenbouwkundigen van de gemeente uitgangspunten geformuleerd. “Zo dienen in het stedenbouwkundig plan en de architectuur verwezen te worden naar de architectonische elementen, zoals deze nu in de wijk te vinden zijn. Daarnaast dient er meer groen in de openbare ruimte te worden opgenomen.”

    Het doet me deugt dat er een weloverwogen besluit is genomen, en de cultuurhistorie als onderlegger wordt gebruikt voor de nieuwe wijk. Een wijk waar hopelijk bestaande en toekomstige bewoners goed zullen wonen. Overigens had ik bij het verrichten van het onderzoek niet kunnen bevroeden dat ik enkele maanden later een kleine 5 kilometer verderop zou komen te wonen. De omgeving wordt mij steeds meer vertrouwd, en ik zal zeker nog eens langsfietsen om het eindresultaat te bekijken.

     

    Adviseur Cultureel Erfgoed – Gemeente Amstelveen

    Adviseur Cultureel Erfgoed – Gemeente Amstelveen

    Na twee jaar voor een particulier onderzoek- en adviesbureau te hebben gewerkt dat veel in opdracht werkt voor gemeenten, zit ik nu aan de andere kant van de tafel. Ik ben namelijk tijdelijk aan de slag als adviseur Cultureel Erfgoed bij de gemeente Amstelveen en Aalsmeer. De twee gemeenten die ambtelijk samenwerken, hebben een enorm boeiende ontstaansgeschiedenis. Met name in Amstelveen staat erfgoed hoog op de politiek agenda. Mijn werk bestaat onder meer uit het adviseren van eigenaren en ontwikkelaars over onderhoud, restauraties en bouwplannen m.b.t. de monumentale waarden, en het begeleiden van aanwijzingsprocedures voor gemeentelijke monumenten. Ook ondersteun ik initiatieven die het historisch besef van Amstelveners moeten vergoten.

    Behoud of sloop?

    Behoud of sloop?

    Behoud of sloop? Menig Zaans woningbouwcomplex uit de eerste helft van de twintigste eeuw kampt met, onder andere, bouwtechnische problemen. De funderingsproblematiek wordt vanwege het steeds verder dalende grondwaterpeil in de Zaanstreek alsmaar urgenter. Ook zijn de complexen, na de invoering van de Woningwet in 1901 op grote schaal gebouwd voor de vele arbeiders die werkten in het industriële gebied, steeds vaker toe aan renovatie. Of het groen en de voorzieningen, in de uitbreidingswijken een belangrijk aspect, zijn toe aan revitalisatie. Hoe wordt in Zaanstad bij de afweging behoud of sloop het aspect cultuurhistorie meegewogen? Ik dacht mee over het programma van Stichting Babel, Zaans architectuurcentrum en ZaansErfgoed rondom dit thema afgelopen november. Het was een tweeluik aan goedbezochte avonden, waarvan de eerste een informatief karakter had, en de tweede meer ruimte bood voor verdieping en discussie. Zo veelzijdig als het publiek op de beide avonden was, van woningcorporatie tot bewoner, en van erfgoedbewaarders tot wethouder, zo veel verschillende belangen dienen te worden behartigd. Bijvoorbeeld betaalbaarheid, veiligheid, cultuurhistorie, duurzaamheid, sociale samenhang. De betrokken partijen moeten er gezamenlijk uit zien te komen, en dat is geen gemakkelijke opgave. De twee avonden hebben veel opgeleverd, onder meer bekendheid van de (cultuurhistorische) kwaliteiten van de complexen, de mogelijkheden voor vernieuwing, en dialoog tussen de betrokkenen. De in een verslag verwerkte aanbevelingen worden naar de gemeente Zaanstad gestuurd, die dit zal meenemen in het opstellen van beleid ten aanzien van de complexen. De omgang met Zaanse woningbouwcomplexen is een lastige, maar uiterst interessante kwestie, en zal in de toekomst nog veel vaker onderwerp van gesprek zijn.

      Beeld: Babel

    Update: het jaarbericht van Babel 2019 geeft een goed beeld van de twee bijeenkomsten.

    Groeten uit de klassieke railway suburb

    Groeten uit de klassieke railway suburb

    Gezinnen verlaten Amsterdam en masse. Waarom, waarheen, en is er eigenlijk leven buiten de stad? In zijn recente verkenning voor de denktank Stad-Forum ontkracht sociaal-geograaf Ivan Nio dat het in alle gevallen een noodgedwongen keuze is. Zo blijken er drie soorten vertrekkers te zijn, en vijf, steeds verder uitdijende, ringen om Amsterdam waar ze naartoe gaan. Nio sprak afgelopen jaar met meerdere vertrekkers, onder andere met mij. Ik blijk te behoren tot de suburbanisanten, een groep die uit volle overtuiging naar een suburb of een dorp verhuist. Groeten uit de klassieke railway suburb Heiloo, sinds afgelopen zomer mijn thuis. Lees het artikel op de website van Stad-Forum, dat de komende tijd Groot-Amsterdam onder de loep neemt.

    Lees in dit kader bijvoorbeeld ook over het werelddorp van Dick en Rietje, dat zich verder rijkt dan de gemeentegrenzen. Door fotograaf Rufus de Vries in beeld gebracht. En over Groot-Amsterdam vanuit historisch perspectief, door historicus Fred Feddes. >>

     

    Studiereis naar Kopenhagen

    Studiereis naar Kopenhagen

      

    Met collega’s van het bureau SteenhuisMeurs maakte ik afgelopen juli een studiereis naar Kopenhagen, in de voetsporen van Amsterdamse stadsplanners 80 jaar geleden.

    In het voorjaar van 1939 gingen stadsplanners Cornelis van Eesteren en Theodoor K. Van Lohuizen van de Amsterdamse gemeenteafdeling Stadsontwikkeling op studiereis naar Kopenhagen. Het doel was inspiratie op te doen voor de uitwerking van het Algemeen Uitbreidingsplan van Amsterdam (AUP, 1934). Het experiment met ‘open bebouwing’, woonblokken vrij gesitueerd in de omgeving, in de wijk Bos en Lommer was jammerlijk mislukt. Bijvoorbeeld rommelige gevels met wasgoed in het zicht. Dat moest anders. De Deense hoofdstad kende op dat moment een enorme bouwproductie, waarbij de gemeente samenwerkte met woningbouwbedrijven. Tijdens de excursie langs zo’n negentien complexen werd gekeken naar oplossingen voor een esthetisch aanzicht van de gevels bij open bebouwing, voorzieningen ter vervanging van het wasgoed op het balkon, privé-tuinen versus gemeenschappelijk groen, bergruimten, en parkeergelegenheid van fietsen en auto’s. De Amsterdammers waren onder de indruk van de opgeruimde en aantrekkelijke woonblokken in harmonie met een veelal groene, soms zelfs door een tuin- en landschapsarchitect ontworpen omgeving. De opgedane kennis werd na terugkomst in de na de Tweede Wereldoorlog gerealiseerde wijken als Slotermeer en Watergraafsmeer soms één op één overgenomen.

    Wie anno 2019 door Kopenhagen fietst, met het bewaard gebleven reisverslag in de hand, ziet opvallende overeenkomsten met het naoorlogse Amsterdam. Wat verder opvalt is de gaafheid van de bebouwing en het groen in Kopenhagen, waar in Amsterdam al lang de Nederlandse vernieuwingsdrang als een wervelwind door de wijken is gegaan. Ook interessant is de veelheid aan balkonoplossingen uit de eerste helft van de twintigste eeuw. De toepassing van (woon)balkons stond indertijd in Nederland nog in de kinderschoenen. Als je kijkt naar de zuinige balkons van recent opgeleverde appartementencomplexen in onze steden zouden ontwerpers nog altijd de nodige inspiratie kunnen opdoen in Denemarken. Het waren vier heerlijke dagen, een feest om met ‘mede-vakidioten’ zo’n interessante en mooie stad te doorkruisen, en voer voor verdere studie.

    Wie meer weten over de uitvoering van het AUP lees het prachtige boek De Nieuwe Grachtengordel (2017), onder redactie van SteenhuisMeurs.

     Wat opvalt is de gaafheid van de bebouwing en het groen in Kopenhagen, waar in Amsterdam al lang de Nederlandse vernieuwingsdrang als een wervelwind door de wijken is gegaan.

           

    Van stadswijk naar het ware suburbia

    Van stadswijk naar het ware suburbia

    Een kleine twee jaar ben ik werkzaam geweest als onderzoeker bij cultuurhistorisch onderzoeksbureau SteenhuisMeurs, in Rotterdam. Binnen het bureau kon ik mijn hart ophalen aan de verscheidenheid aan projecten door het hele land. Vanaf juli 2019 ga ik als zelfstandige verder, met de focus op onderzoek-, schrijf- en advieswerk. Bovendien heb ik in deze zomer als bewoner de hoofdstad verlaten. Mijn bovenwoning in de jaren 50 wijk Slotermeer heb ik ingeruild voor mijn droomhuis uit 1960 in het Noord-Hollandse forenzendorp Heiloo. Het ware suburbia. Hiermee is de regio Noord-Kennemerland mijn uitloopgebied geworden, maar voel ik mij nog altijd verbonden met Amsterdam.

    Verscheidenheid aan projecten bij SteenhuisMeurs

    Verscheidenheid aan projecten bij SteenhuisMeurs

    Een kleine twee jaar, van eind 2017 tot medio 2019, heb ik gewerkt als onderzoeker/architectuurhistorica bij cultuurhistorisch onderzoeksbureau SteenhuisMeurs, in Rotterdam. SteenhuisMeurs richt zich op het inzetten van cultuurhistorisch onderzoek in actuele ruimtelijke opgaven. Het bureau doet dit onder andere in de vorm van een cultuurhistorische verkenning, beeldkwaliteitsplan, transformatiekader, of stedenbouwkundige visie. Binnen het bureau kon ik mijn hart ophalen aan de verscheidenheid aan projecten door het hele land. Mijn specialisatie binnen het bureau was onderzoek en waardering van vooroorlogse tuindorpen en tuinwijken, zoals de Eindhovense Bloemenbuurt, Bloemwijk in Alkmaar en de Zeeheldenbuurt in Wormerveer. Ik deed bovendien onderzoek naar verscheidene naoorlogse gebieden en gebouwen, zoals de Achtersluispolder in Zaandam Zuidoost en het studentencentrum van architect Maaskant in Eindhoven. Hieronder een overzicht van projecten waar ik samen met collega’s aan heb gewerkt, waarvan enkele toegelicht:

    • Eindhoven, Evoluon cultuurhistorische waardestelling, Lichtstad Erfgoed BV (2019)
    • Station Kampen cultuurhistorisch onderzoek en waardestelling, NS Stations (2019)
    • Station Hoogezand cultuurhistorisch onderzoek en waardestelling, NS Stations (2019)
    • Den Haag, Tweede Kamer cultuurhistorische verkenning nieuwbouw 1992, Rijksvastgoedbedrijf (2019)

    • Alkmaar, Bloemwijk cultuurhistorische transformatiekader, van Alckmaer voor wonen (2019)
      Bloemwijk was bedoeld voor ‘arbeidende’ Alkmaarders wiens (krot) woningen onbewoonbaar verklaard waren. Dankzij de Woningwet van 1901 kreeg het stadsbestuur meer grip op de kwaliteit en groei van arbeiders- en middenstandswijken. Bloemwijk komt voort uit het algemeen uitbreidingsplan dat het stadsbestuur in 1909 liet opstellen. Waar lange tijd ontspanningsgebied voor de stedelingen was, waren nu buitenwijken gedacht. Door het brengen van veel groen in het straatbeeld zou ‘Nieuw Alkmaar’, zoals de wijken in het uitbreidingsplan werden genoemd, een landelijk karakter krijgen, en daarmee aantrekkelijk worden om er te wonen. Als uitvloeisel van de Woningwet zag in 1907 de Vereniging voor Volkshuisvesting ‘Alkmaar’ (het huidige Van Alckmaer voor Wonen) als eerste Alkmaarse woningbouwvereniging het licht. Met subsidie van het Rijk kwamen vanaf 1916 ten westen van de Westerweg de twee wooncomplexen tot stand, naar ontwerp van J. Stuyt en meewerkend architect M.J.E. Lippits. Al zorgde de Eerste Wereldoorlog voor bezuinigingen, waardoor het ontbrak aan voortuinen en plantsoenen – gebruikelijk in dergelijke ‘tuindorpen’, kregen de bewoners ruime achtertuinen die te bereiken waren via de voor Bloemwijk zo kenmerkende ronde poorten. Ten behoeve van de mogelijke vernieuwingsplannen deed SteenhuisMeurs in opdracht van Van Alckmaer voor Wonen cultuurhistorisch onderzoek naar Bloemwijk. Het rapport is hier te downloaden. 

    • Eindhoven, Bunker Maaskant cultuurhistorische verkenning / transformatiekader, Powerhouse Company Rotterdam (2018)
      ‘Een ontmoetingsplaats van allure’. Zo beschreef architect Huig Maaskant zijn ontwerp van het studentencentrum voor de studenten van de Technische Hogeschool van Eindhoven in 1964. Inmiddels staat het gebouw bekend als ‘de Bunker’, een bijnaam die te verklaren is door zijn opvallende verschijningsvorm en betonnen afwerking. Het gebouw kwam tussen 1963 en 1969 tot stand in nauwe samenwerking met de Eindhovense studenten en de Technische Hogeschool Eindhoven. Het studentencentrum belichaamt het gemeenschapsdenken in de prille jaren van de studentenstad. En het gebouwtype is uniek in zijn soort: de typologie is een combinatie van een sociaal centrum met een mensa en twee sociëteiten voor de hele studentengemeenschap van Eindhoven. De Bunker diende ruim veertig jaar als studentencentrum. Eind 2015 schreef de Technische Universiteit Eindhoven een prijsvraag uit. Het voormalige studentencentrum zal worden gerenoveerd en uitgebreid met een woontoren naar ontwerp van Powerhouse Company. SteenhuisMeurs deed in 2018 onderzoek naar het concept en het roemruchte gebruik van het gebouw, doorzocht de archieven bij het Eindhovens Studentencorps en maakte een transformatiekader om de balans tussen het bestaande gebouw en de nieuwe toevoeging te borgen.

    • Eindhoven, Bloemenbuurt-Noord cultuurhistorische verkenning, woonstichting ‘Thuis’ (2018)
    • Eindhoven, Strijp T cultuurhistorische verkenning, gemeente Eindhoven (2018)
    • Gouda, Gouwekerk en Pastorie cultuurhistorisch onderzoek, Tsjechov (2018)
    • Hengelo, Amstelbottelarij cultuurhistorische verkenning, Corporatie Welbions (2018)
    • Rotterdam Delfshaven cultuurhistorische verkenning (De Abrikoos), gemeente Rotterdam (2018)
    • Rotterdam, Lijnbaan, ensemble Jan Evertsenplaats (2018)
      transformatiekader, Van Wijnen Stolwijk (2018)
    • Wormerveer, Bomenbuurt cultuurhistorisch onderzoek, Parteon Zaanstad, naoorlogse woningbouw vooronderzoek, gemeente Zaanstad (2018)
    • Zaandam, Zaandam Zuidoost (Achtersluispolder en aangrenzende woongebied, waaronder de wijk Poelenburg) cultuurhistorische verkenning, gemeente Zaanstad (2018)
    • Bevingspanden 
      cultuurhistorische waardestellingen van rijksmonumenten in het aardbevingsgebied
      Huizinge, Torenstraat 1, (VIAA / Haskoning DHV Nijmegen, 2018)
      Loppersum, Molenweg 18 (2018), Centrum Veilig Wonen
      Zeerijp, Borgweg 38 (2018), Centrum Veilig Wonen

    • Amsterdam, Kantoorgebouw de Walvis cultuurhistorische waardering,  Maarsen Groep (2017)
      Midden in de historische omgeving van de westelijke eilanden in Amsterdam, staat een plompe kantoortoren uit de jaren zestig. Het plan om het gebouw te verduurzamen en te moderniseren, was voor de gemeente aanleiding om de ontwikkelaar een cultuurhistorisch onderzoek te vragen. Kantoorgebouw de Walvis is geen monument en staat in een ingewikkeld stukje stad. Het Bickerseiland is een diverse microkosmos: kleinschalig en groots, besloten en open, historisch en modern. Door de historische ontwikkeling te analyseren en te duiden, wordt duidelijk wat de kwaliteiten van het gebied zijn, waarom knelpunten ontstonden en welke ambities nooit uit de verf kwamen. Het contrast tussen de toren en de kleinschalige Grote Bickersstraat, met zijn huisjes en pakhuizen is bruut. De open ruimte rondom het kantoor is geen onderdeel van een aantrekkelijke en groene openbare ruimte langs de waterkant geworden. De Walvis staat op het droge, op een afgesloten parkeerterrein, afgescheiden van de stad. De architectuur was ooit een voorbeeld van een strakke moderniteit en een prachtige indeling met een open plint, een kantoorlijf met een ragfijne detaillering, en een dakopbouw met plastisch vormgegeven gebouwtjes. De architectuur is echter geërodeerd en grof geworden. De cultuurhistorische analyse heeft verdieping en input gegeven aan de herinrichting van het buitengebied en de architectonische vernieuwing onder leiding van architect Victor Panhuysen.

    West-Indische buurt in montagebouw

    West-Indische buurt in montagebouw

    Maar liefst 62 gemeenten in Nederland hebben een Indische buurt. Men spreekt van een Indische buurt als er tenminste drie onderling verbonden straten zijn met namen die in hele directe zin refereren aan het (voormalige) Nederlands Oost-Indië en West-Indië (Suriname en de Antillen). Er zijn veel overeenkomsten te vinden in de wijze waarop de buurten zijn ontstaan, ontwikkeld en waarom er voor bepaalde straatnamen is gekozen. Maar er zijn ook opvallende verschillen.

    Onder leiding van initiatiefnemer Dick Rozing en historicus Michael Bremmers hebben verschillende auteurs,van onder andere van historische kringen en stads- en archiefdiensten, al deze buurten beschreven. De verhalen verschijnen in boekvorm met als titel Indische buurten in Nederland (verschijningsdatum onbekend) en op www.indischebuurten.nl. In 2016-2017 heb ik twee Indische buurten beschreven, in Velsen (Santpoort-Noord) – zie onder, en Beverwijk.

    Santpoort-Noord (Velsen), West-Indische buurt in montagebouw

    In 1946 kwamen de eerste Indische repatrianten via de haven van IJmuiden aan in Nederland. Enkelen van hen verbleven kort na aankomst in de landhuizen Duin & Kruidberg en Kennemergaarde, op de grens van de Kennemerduinen en het forensendorp Santpoort-Noord. Als antwoord op de naoorlogse woningnood verrezen enkele jaren later in het dorp nieuwe woningen. Het werd de West-Indische buurt, met straatnamen vernoemd naar eilanden en plaatsen in West-Indië. Tien jaar later, bij de uitbreiding van de buurt, werd bij de straatnamen gerefereerd naar gouverneurs-generaal, militairen en zeehelden met een reputatie ontleend aan de koloniën. Een opmerkelijke keuze net na de beëindiging van de koloniale verhoudingen. 

    De Bonairestraat. 

    Wederopbouw en uitbreiding
    Onder centrale regie van de overheid werd in de jaren veertig en vijftig het land wederopgebouwd. Het was een periode van schaarste, maar ook van optimisme en vernieuwing. Net als veel andere gemeenten had Velsen een wederopbouw- en uitbreidingsplan nodig. Voor het ontwerp vroeg de gemeente, door een merkwaardig en niet terug te draaien misverstand, zowel Willem Marinus Dudok als Willem van Tijen. Het tweetal gerenommeerde architecten moest hierdoor noodgedwongen samenwerken. Dudok werd verantwoordelijk gesteld voor het bebouwingsplan van Nieuw-IJmuiden, dat een centrumfunctie kreeg voor de gehele gemeente. Van Tijen, en later zijn assistent Willem Wissing, nam samen met Huig Maaskant de overige gemeentekernen voor zijn rekening. Velsen-Noord aan de overzijde van het Noordzeekanaal werd het belangrijkste woongebied voor werknemers van de omringende industrieën, Santpoort-Noord een forensendorp, Santpoort-Zuid en Driehuis villawijken. Het oude Velsen bleef intact, net als de buitenplaatsen en natuurgebieden.

    Forensendorp
    Het gehucht Santpoort ontstond in de Middeleeuwen in de Kennemerduinen met flink wat herbergen rondom de kruising Hoofdstraat en Huis ten Biltstraat. Reizigers maakten gebruik van de Hoofdstraat, toen nog de Heereweg geheten, op de route Haarlem-Alkmaar. In het verder agrarische gebied waren blekerijen en buitenplaatsen aangelegd. Eind negentiende eeuw kwam de bloembollenteelt op in de regio. De aanleg van de spoorlijn Haarlem-Alkmaar, de bouw van een treinstation (nu Santpoort-Zuid) en de komst van de stoomtrein betekende dat vermogende forensen uit Amsterdam en Haarlem zich hier vestigden. Santpoort ontwikkelde zich hierdoor tot forensendorp. Naast villabouw ontstonden in de jaren 20 en 30 woonwijken ten westen van de Hagelingerweg. Het driehoekige gebied aan de oostzijde van deze weg, tussen de Hoofdweg en de nieuw aangelegde rondweg de Santpoortse Dreef in, werd in de naoorlogse jaren bebouwd. In ruim tien jaar tijd verrees hier op voormalig tuinbouwgrond de West-Indische buurt. 

    Ontstaan van de Indische buurt
    In het najaar van 1950 verscheen in de IJmuider Courant de korte aankondiging Nieuwe namen in Santpoort: ‘De nieuwe straten, die zijn aangelegd tussen de Hagelingerweg en de Hoofdstraat in Santpoort, ten Noorden van de Overbildtweg zullen genoemd worden naar eilanden en plaatsen in “De West”. Het worden de Antillenstraat, Surinamestraat, Arubastraat, Bonairestraat, Curaçaostraat, Sabastraat, St. Eustatiusstraat, St. Martinstraat en Paramaribostraat.’[1] Een jaar eerder was gestart met de aanleg van de straten. De woningen werden gebouwd volgens de niet-traditionele bouwmethode Elementenbouw Krabo. Door het gebruik van prefab bouwelementen was de inzet van arbeid op de bouwplaats minimaal, en daarmee het bouwproces goedkoper. De plaatselijke krant plaatste een foto van een bouwplaats waar West-Indië in montagebouw verrees: ‘Een grote kraan stelt de onderdelen van een complex van 142 woningen, waaronder 76 duplex-woningen, dat de woningnood in Velsen en speciaal Santpoort kan helpen verlichten. De straten krijgen namen uit de West-Indische Archipel.’[2]

    Basisplan voor de wederopbouw van Santpoort-Noord van de architecten W.M. Dudok, W. van Tijen en H.A. Maaskant, 1946. Met rechtsboven zichtbaar de West-Indische buurt. Beeld: Noord-Hollands Archief.

    Luchtopname van Santpoort, met noordelijk van de Overbildtweg de nieuwbouw dwars op de Surinamestraat en links de Hagelingerweg, 1952. Beeld: Noord-Hollands Archief (c)  N.L.R. Mij. Meteor.

    Controverse
    De gemeenteraad stemde echter niet eensgezind in met het voorstel van het college van Burgemeester en Wethouders om de nieuwe buurt West-Indische straatnamen te geven. Een gemeenteraadslid meende dat er met betrekking tot de historie aardiger, en meer passende namen te vinden zouden zijn geweest dan vernoemingen naar de West-Indische archipel. Zijn voorkeur ging uit naar namen van voormalige buitens in dit landelijke deel van Santpoort, als het Velserhooft, Thorn, Rosensteijn, Middello, Valkenburg en Hageveld. Deze historische verwijzing sloot wat hem betreft goed aan op de bestaande Duin- en Kruidbergerweg. Voor de suggestie werd vriendelijk bedankt, maar voor deze buurt niet geschikt geacht. Door de wat afgesloten ligging dienden de straten allen dezelfde soort naam te dragen, zodat ‘vreemdelingen’ gemakkelijk de weg zullen vinden. De historicus had geen negen namen van buitens kunnen vinden. Overigens werd nog opgemerkt ‘dat er wel moeilijk uit te spreken namen bij voorkomen. Bonairestraat zal nog wel gaan, maar St. Eustatiusstraat is voor de kindermond wel heel moeilijk. Had men geen gemakkelijker uit te spreken namen kunnen kiezen, als bijvoorbeeld Archipelstraat?’ De reactie luidde als volgt: ‘Het eiland draagt nu eenmaal die naam en die kunnen wij niet veranderen. Men zal daaraan wel wennen.’[3]

    De Bonairestraat.

    Duplexwoningen
    Anders dan de eerdere villawijken in Santpoort gaat het in het eerste deel van de West-Indische buurt om rijtjeshuizen met sociale huurwoningen, waardoor ook mensen met een kleine portemonnee in het dorp konden wonen. Op het eerste ogenblik lijken de rijtjeshuizen op eengezinswoningen, maar schijn bedriegt. De helft van de bouwproductie, namelijk aan de Curaçao-, Paramaribo- en een gedeelte van de Bonairestraat, bestond uit duplexwoningen. Deze woningen werden gesplitst, waardoor zowel boven als beneden een gezin kon wonen met ieder een eigen entree. Het was een veel toegepast middel na de oorlog om zo sneller de woningnood op te lossen. Waarschijnlijk zijn de splitsingen van deze woningen inmiddels opgeheven. De overige woningen zijn van het ‘doorzon-type’, met zowel voor als achter ramen waardoor de zon door de hele woonkamer kon schijnen. Veelal werd in de woonkamer een glazen wand geplaatst om een extra slaapkamer aan de achterzijde te creëren.

    Architect Peter van der Wart ontwierp de woningen in opdracht van de gemeente. Het ontwerp was ‘sober en doelmatig’. Achter de gemetselde gevels van bakstenen, met vurenhouten kozijnen en ramen, gaat overigens de moderne elementenbouw schuil. De woningen en voortuinen liggen evenwijdig aan de straten, met veelal de achtertuinen tegen elkaar aan. De bewoners kregen in de achtertuinen gemetselde schuurtjes die bereikbaar zijn via het achterpad. De koppen van de woningen zijn met elkaar verbonden met een tuinmuur, wat het idee van een gesloten blok benadrukt. Modern in die tijd was ook de functionele woningenindeling en voorzieningen als de douche, een luxe die dergelijke woningen van voor de oorlog niet hadden.[4]

    Links de Bonairestraat, midden de Surinamestraat en rechts de toegang tot het achterpad.

    Groen en rust
    Bij de aanleg van de buurt begin jaren vijftig was veel aandacht voor groen, passend bij de tuinstadgedachte van de architecten om Velsen een groene gemeente te maken. Het ging niet alleen om gras, maar ook een rijkdom aan bloeiende struiken. In de krant werd aangekondigd hoe de buurt een ‘fleurige krans van Flora’ zou krijgen: ‘Velerlei soorten heesters, rozen en bomen komen de wijk opfleuren. De gemeenschappelijke voortuinen worden met gras en rozenhaagjes ingeplant, zoals aan de Sabastraat; de Arubastraat krijgt een sierlijke kraag van louter rozen en in de Curaçaostraat worden “blokken” heesters gebruikt, die evenals in de Bonairestraat met vaste planten worden afgewisseld.”[5] In de jaren hierna zou tevens aan de Paramaribostraat een driehoekig plantsoen worden aangelegd, met onder meer een sportveld.

    De buurt oogt nog steeds groen en rustig, zoals de meeste forensendorpen. Van het rijtje winkels aan de St. Martinstraat is nog enkel de winkel op nummer 10 over, in een karakteristiek winkelpand. Door de concurrentie van de supermarkten is de levensmiddelenzaak eind jaren zestig getransformeerd tot treinen-speciaalzaak ’t Seinhuis, waarvoor mensen van heinde en verre naar de West-Indische buurt komen. Verderop aan de Curaçaostraat en St. Eustatiusstraat bieden enkele bedrijfspanden uit de jaren vijftig ruimte aan kleinschalige bedrijven.

    Het plantsoen aan de Paramaribostraat.

    Luchtopname van Santpoort-Noord, met links de Santpoortse Dreef en rechtsboven de uitbreiding van de West-Indische Buurt, 1964. Beeld: Noord-Hollands Archief.

    Uitbreiding van de buurt
    Eind jaren vijftig volgde een flinke uitbreiding van de buurt ten noorden van de Antillenstraat. Het college van Burgemeester en Wethouders in 1956: ‘In verband met de bebouwing van het noord-oostelijke gedeelte van Santpoort is het noodzakelijk, dat aan een vijftal ten noorden van de zgn. West-Indische buurt geprojecteerde straten namen worden gegeven. Wij menen dat het de aanbeveling verdient ook voor deze straten namen vast te stellen, welke verband houden met de Antillen en Suriname.’[6] Het werden de Corantijn- en Marowijnestraat, waaraan enige tijd later nog de Nickeriestraat werd toegevoegd. Alle drie de straatnamen verwijzen naar rivieren in West-Indië. Afwijkend van al deze aardrijkskundige namen was de keus voor nieuwe straatnamen die refereren naar gouverneurs-generaal, militairen en zeehelden die hun reputatie ontlenen aan de koloniën: de Johan Maurits van Nassaulaan en de Stuyvesant- en Crijnssenstraat. Het is niet bekend waarom de keuze, net na de beëindiging van de koloniale verhoudingen, op deze namen viel. Wel is bekend dat in Velsen, op de hoek van de huidige Bloemdaalsestraatweg en de Jan Gijzenvaart, in de zeventiende eeuw een hofstede lag met de naam Stuijvesant. De naam ‘Laan van Stuijvesant’ komt voor op oude kaarten.[7]

    Het verschil tussen het eerste deel van de West-Indische buurt en de uitbreiding tien jaar later is zichtbaar in de keus van het type woningen. Waar eerst nog werd gekozen voor sobere rijtjeshuizen voorzag de noordelijke uitbreiding in meer luxe twee-onder-een-kappers en etagewoningen in vriendelijke flatjes van driehoog. Boven de entree van de flats aan de Antillenstraat pronken de namen Corantijnflat, Marowijneflat en Stuyvesantflat. Net als bij het eerdere deel van de buurt is ruim voorzien in voortuinen, die met gemetselde muurtjes worden afgescheiden van de straat.

    De Corantijnflat, op de hoek van de Corantijnstraat en Curacaostraat. 

    Links eengezinswoningen in de Antillenstraat en de Marowijnestraat, met als afscheiding van de tuin gemetselde muurtjes. Rechts straatnamen, op de hoek van de Antillenstraat en Corantijnstraat. 

    Repatrianten in Velsen
    Hoewel Velsen op het eerste gezicht geen evidente connectie met West-Indië heeft die de straatnaamgeving zou kunnen verklaren, is Velsen door de opvang van repatrianten uit Nederlands-Indië verbonden met de voormalige koloniën. Een paar jaar voordat de bouw van de West-Indische buurt startte kwamen de eerste Indische repatrianten via de haven van IJmuiden aan in Nederland. Na de oorlog verliep in het land de opvang van de repatrianten stroef. Er heerste woningnood, die door de instroom van de evacués alleen maar groeide. Door bemiddeling van de overheid werden zij ondergebracht bij particulieren of zogenaamde contractpensions. Hotels en pensions, die door het wegvallen van toerisme leeg stonden, boden hiervoor uitkomst. In Santpoort verbleven verschillende mensen zonder familie of andere relaties op de buitenplaatsen Duin & Kruidberg en Kennemergaarde. De landhuizen waren in bezit van families die in Indië tevens tabaksplantages bezaten en in de oorlog waren uitgeweken naar de Verenigde Staten. De families stelden de landhuizen ter beschikking aan het Nederlandse Rode Kruis voor de opvang van repatrianten, die hier op kracht konden komen of als gezin een (tijdelijk) huishouden te starten.[8]


    Dit artikel is geschreven door Victorien Koningsberger binnen het project Indische buurten Nederland. De foto’s, tenzij anders vermeld, zijn ook van Victorien.
    Dank aan de Historische Kring Velsen. 

    Bronnen:

    [1] ‘Nieuwe namen in Santpoort’, IJmuider Courant, 6 oktober 1950.
    [2] ‘West-Indië in montagebouw’, IJmuider Courant, 16 januari 1951.
    [3] Noord-Hollands Archief, dossier 1844 Gemeentebestuur van Velsen, toegangsnummer C236 Gemeenteverslagen 1950.
    [4] ‘Wederopbouw in Santpoort 1945-1965’, De Zandpoort nr. 28 (Najaar 2015).
    [5] ‘Rivierenwijk en Westindische buurt krijgen een fleurige krans van Flora’, IJmuider Courant, 27 november 1951.
    [6] Noord-Hollands Archief, dossier 1844 Gemeentebestuur van Velsen, toegangsnummer C239 Gemeenteverslagen 1956.
    [7] Marco Mekenkamp (Historische Kring Velsen), ‘Bewindsman of hofstede?’, IJmuider Courant, 16 augustus 2007.
    [8] ‘Repatriant in Nederland’, De Zandpoort nr. 26 (Najaar 2013).

    Van Amsterdam naar Rotterdam

    Van Amsterdam naar Rotterdam

    Tot voor kort was Gebouw De Bazel (links), waar de Amsterdamse dienst Monumenten en Archeologie huist, mijn werkplek. Sinds september echter is het Groothandelsgebouw in Rotterdam (rechts) mijn standplaats. Hier werk ik als onderzoeker bij cultuurhistorisch onderzoeksbureau SteenhuisMeurs.

    Een kleine twee jaar heb ik met veel plezier voor de Amsterdamse gemeentedienst Monumenten en Archeologie gewerkt. Ik ondersteunde het team gebiedsadviseurs, door het onderzoeken en beschrijven van gebouwen en gebieden uit de periode van 1850-heden. Van de Baarsjes tot Borneo-Sporenburg, van bakstenen pakhuizen tot punaisearchitectuur. Kriskras door de hele stad. Het resulteerde in cultuurhistorische verkenningen, opgebouwd uit een historische gebiedsanalyse en aanbevelingen, die als uitgangspunt dienen voor gebiedsontwikkeling.

    Nu werk ik als onderzoeker bij SteenhuisMeurs. Mijn standplaats is Rotterdam, maar we werken landelijk. Het bureau richt zich op het inzetten van cultuurhistorisch onderzoek in actuele ruimtelijke opgaven. We doen dit onder andere in de vorm van een cultuurhistorische verkenning, beeldkwaliteitsplan, transformatiekader, of stedenbouwkundige visie. Binnen het bureau kan ik mijn hart ophalen aan de verscheidenheid aan projecten door het hele land.

    Winkels die de omreis waard zijn

    Winkels die de omreis waard zijn

    Het is inmiddels wereldwijd bekend dat je in de 9 straatjes veel leuke winkels kunt vinden. Maar als je op zoek bent naar bijzondere speciaalzaken, heeft Amsterdam zoveel meer te bieden. Dat is het voordeel van een stad waar zowel het aantal inwoners als het aantal bezoekers snel groeit. Wil je eens verder kijken dan de Leidsestraat en de PC Hooft?

    Op een regenachtige zaterdag tijdens de Week van de Stad 2015 met het thema Amsterdam druk? Dat biedt kansen! organiseerde ik een excursie naar exclusieve en bijzondere speciaalzaken. Winkels buiten de gebaande paden die de omreis waard zijn.

    Van de Bijlmer tot Osdorp
    Per bus maakte een groep nieuwsgierige mensen een ronde langs speciaalzaken op het gebied van Food & Fashion. Van de beste buurtsuper en dé Amsterdamse zuurwarenhandel, tot de winkel met de meest kleurrijke Afrikaanse stoffen en een boetiek vol Marokkaanse haute couture. Van de Bijlmer, Oud-Zuid tot Osdorp en Bos en Lommer. We maakten kennis met de ondernemers die de smaak van de stad bepalen.

    De Week van de Stad is een initiatief van Stad-Forum.
    Zie op papier welke winkels een omreis waard zijn: Food & Fashion busexcursie. En lees hier het artikel in het Noordhollands Dagblad: Omfietswinkels.